Een kind van rond de negen lacht trots met euromunten in de handen naast een spaarpot op de keukentafel

Hoeveel zakgeld per leeftijd? Een realistische richtlijn

"Sanne uit groep 5 krijgt drie euro per week", zegt je kind, en jij rekent in stilte uit dat zij dus precies twee euro vijftig meer krijgt dan jouw kind. Wat is nou een normaal bedrag? Het Nibud heeft een richtlijn, maar in echte gezinnen zit er flink wat ruimte tussen "te weinig" en "te veel". Een eerlijk overzicht helpt om je eigen lijn te kiezen, niet om die van de buren over te nemen.

Voor het grotere plaatje, hoe je zakgeld inzet als opvoedinstrument, staat alles bij elkaar in het hoofdstuk over zakgeld geven aan je kind. Dit stuk gaat puur over de bedragen: wat geven Nederlandse ouders meestal per leeftijd, en wanneer wijk je daar gerust van af.

Bedragen per leeftijd: een eerlijk overzicht

De Nibud-richtlijn is al jaren ongeveer hetzelfde, met kleine bijstellingen voor inflatie. Voor 2026 ziet het gangbare beeld in Nederlandse gezinnen er ongeveer zo uit:

  • 6 tot 7 jaar (groep 3): 50 cent tot 1 euro per week
  • 8 tot 9 jaar (groep 4-5): 1 tot 2 euro per week
  • 10 tot 11 jaar (groep 6-7): 2 tot 4 euro per week
  • 12 jaar (groep 8, overgang naar middelbaar): 4 tot 6 euro per week

Dat zijn geen exacte regels, het zijn de bedragen die je in veel gezinnen tegenkomt. Sommige ouders kiezen bewust de onderkant omdat ze willen dat hun kind echt op iets moet sparen. Anderen kiezen de bovenkant omdat het kind ook kleine spullen zelf moet betalen. En een flink aantal ouders zit ergens tussenin, of geeft een bedrag dat geen enkele richtlijn netjes volgt en dat vrolijk werkt.

Wat je ook ziet: gezinnen waar het oudste kind een fors hoger bedrag krijgt dan de richtlijn suggereert, omdat het kind daarvan ook bijvoorbeeld zelf school-tussendoortjes of een telefoonabonnementje moet betalen. Dat is een andere afspraak, geen "te veel zakgeld". Bedrag los van afspraak betekent niets.

Per week of per maand: wat past bij je kind

Frequentie maakt voor jonge kinderen meer uit dan voor oudere. Een kind van zes dat 50 cent per week krijgt, snapt "elke vrijdag krijg je een euro-muntje van 50 cent". Datzelfde kind dat 2 euro per maand zou krijgen, raakt het overzicht kwijt voordat de maand om is. Voor groep 3 en 4 werkt wekelijks daarom bijna altijd beter: kort interval, klein bedrag, makkelijk te tellen.

Vanaf een jaar of tien begint maandelijks interessanter te worden. Een kind dat 3 euro per week krijgt zou dan 12 euro per maand kunnen krijgen, en dat is een bedrag waarmee je iets kunt waar je een week op zou moeten sparen. Het leert plannen: als je in week รฉรฉn alles uitgeeft, is het lang wachten. Sommige ouders combineren beide systemen: tot groep 6 wekelijks, vanaf groep 7 maandelijks. Dat is een natuurlijke overstap, vaak bij een verjaardag.

De derde variant, "wanneer je erom vraagt", werkt voor sommige gezinnen prima en voor andere helemaal niet. Voordeel: weinig administratie, je kind leert vragen wat het nodig heeft. Nadeel: het lerende effect van zelf budgetteren valt grotendeels weg, want het potje is zo groot als jouw geduld op dat moment. Voor de meeste kinderen tussen 6 en 12 is een vaste afspraak leerzamer.

Een open notitieblok met handgeschreven aantekeningen, een paar euromunten, een portemonnee en een spaarpot op een houten tafel

Wat zit er wel en niet in dat bedrag

Hier zit vaak het echte verschil tussen gezinnen, niet in het bedrag zelf. Twee voorbeelden van een kind in groep 6 met 3 euro per week:

Gezin A: die 3 euro is puur voor leuke dingen. Stickers bij de boekhandel, een ijsje op zaterdag, sparen voor een knuffel. Alle "noodzakelijke" dingen (schoenen, jas, schoolspullen, sport-kleren) komen van ouders. Snoep is meestal nee tenzij er een speciale aanleiding is.

Gezin B: die 3 euro dekt ook tussendoortjes op woensdagmiddag, de kauwgom bij de kassa van de Albert Heijn, en het kind mag er zelf over beslissen. Snoep zit erin als het kind ervoor kiest, maar dan is er die week minder over voor sparen. Schoenen en kleren komen van ouders.

Beide werkt. Wat niet werkt: een onduidelijke afspraak waarbij je per situatie improviseert. Dan leert je kind vooral onderhandelen in plaats van budgetteren. Schrijf het desnoods samen op, een briefje op de koelkast met "wel/niet uit zakgeld". Bij een sleutelhanger zegt het briefje ja, bij voetbal-schoenen zegt het briefje nee. Dat scheelt iedere zaterdag tien minuten gesprek.

Een vraag waar veel ouders over twijfelen: zijn klusjes onderdeel van zakgeld, of staan ze los? Daar is geen goed antwoord op, het hangt af van hoe je je kind het beste denkt te leren. We zetten de voor- en nadelen op een rij in het stuk over klusjes voor zakgeld.

Wanneer en hoeveel je verhoogt

Verhogen mag, en eigenlijk: hoort. Een kind dat in groep 3 50 cent kreeg en in groep 8 nog steeds 1 euro krijgt, leert vooral dat geld iets is dat niet meegroeit met de wereld. De drie meest gebruikte verhogingsmomenten zijn:

Bij de verjaardag. Makkelijk te onthouden, voelt voor het kind als een soort cadeau. Vaak werkt: 50 cent tot 1 euro per week erbij per verjaardag, afhankelijk van leeftijd. Voor jongere kinderen kleinere stappen, voor oudere wat grotere.

Bij groep-overgang. Aan het begin van het schooljaar, samen met nieuwe agenda, nieuwe etui en nieuwe schooljas. Past mooi bij het gevoel van "ik ben nu een grotere". Bonus: alle ouders op het schoolplein doen het ongeveer in dezelfde periode, dus je kind hoort niet als enige in oktober nog dat het allemaal hetzelfde blijft.

Op een vast moment in het jaar (bijvoorbeeld 1 januari). Werkt vooral als je meerdere kinderen hebt en gelijk-en-tegelijk handig vindt. Iets minder feestelijk dan een verjaardag, maar wel duidelijk.

De grootste sprong komt vaak rond de overstap naar de middelbare school. Daar gaat het kind ineens een eigen broodje kopen op pauze, een buskaart bijhouden, soms een telefoon-tegoed beheren. Veel gezinnen gaan dan over op een maandbedrag waar mรฉรฉr in zit dan alleen "leuke dingen". 20 tot 30 euro per maand inclusief tussendoortjes is in groep 8 / brugklas geen rare orde van grootte. Sommige ouders koppelen die overstap aan een spaarrekening op naam van het kind, zodat een deel automatisch vastgezet wordt. Hoe je dat sparen aanpakt zonder dat het saai wordt voor een tienjarige, staat in het stuk over kinderen leren sparen.

Wat als jouw bedrag afwijkt van de Nibud-richtlijn

Stel: je geeft je kind van negen 5 euro per week. Of juist 50 cent. Allebei wijkt af van wat hierboven staat. Is dat erg? In bijna alle gevallen niet, mits het past bij je gezin en de afspraken duidelijk zijn.

Mรฉรฉr geven kan prima werken, vooral als je kind ook meer eigen verantwoordelijkheid draagt voor wat het van dat geld doet. De valkuil is dat een hoog bedrag zonder verantwoording kinderen kan leren dat geld vanzelf komt. Niet omdat ze "verwend" worden in een morele zin, maar omdat de oefening van moeten-kiezen wegvalt. Als alles altijd kan, valt er weinig te leren over budgetteren.

Minder geven, of zelfs niets, kan ook prima. Sommige ouders kiezen ervoor om geen zakgeld te geven, maar wel hun kind actief mee te laten doen met geldzaken: boodschappen helpen uitrekenen aan de kassa, eens mee naar de bank, een eigen winkel-spelletje thuis met echte muntjes. Een kind dat zo opgroeit kan op zijn twaalfde net zo handig zijn met geld als een kind met vijf jaar weekgeld achter de rug, soms zelfs handiger. Wat telt is dat ergens een oefening zit, niet welk systeem.

Als je twijfelt of je รผberhaupt al moet beginnen, hangt dat vooral af van of je kind kan tellen, kan wachten, en snapt dat een muntje van euro meer waard is dan twee muntjes van vijf cent. We schreven daar apart over in het stuk over wanneer je met zakgeld begint. Voor sommige kinderen is dat met zes, voor andere pas met acht. Dat verschilt, en het is geen wedstrijd.

๐Ÿ“š

Meer voor ouders

Alle categorieรซn →