Je kind zit met de werkboekjes voor zich, potlood in de hand, en bij tafel 7 knapt er iets. Eerst gaan de schouders omhoog, dan komen de tranen, en voor je het weet is de keukentafel een klein slagveld. Jij staat ernaast en weet even niet meer of je streng moet zijn, moet troosten, of moet voorstellen dat jullie stoppen. Herkenbaar.
Waarom tafels juist spanning geven
Tafels voelen anders dan ander rekenwerk. Optellen en aftrekken kun je nog een beetje uitvogelen op je vingers of met een tekening. Bij tafels moet je het gewoon weten, en dat weten moet er ook nog snel uit komen. Voor een kind van acht of negen voelt dat als een toets die elke dag opnieuw afgenomen wordt, door de juf, door de buurvrouw die even vraagt "hoeveel is 7 keer 8", en soms ook door zichzelf.
Er zit ook iets van eer aan vast. Als je klasgenoot de tafel van 8 al kent en jij nog bij de 3 hangt, voelt dat in je maag. Niet omdat het kind dom is, maar omdat tempo en geheugen bij sommige kinderen gewoon trager op gang komen. Dat heeft niets met inzet te maken. En dat weten helpt al een beetje, als jij het weet รฉn het kind het voelt.
Stop op tijd, liever korter dan langer
Twintig minuten achter elkaar tafels oefenen werkt voor bijna geen enkel kind. Na acht, tien minuten is de rek eruit, en wat je daarna nog doet is vooral jouw geduld opsouperen. Zet liever een timer op zeven minuten en stop als die gaat, ook als je halverwege bent. Dan krijgt het kind het gevoel: dit had een begin en een einde, en dat einde lag niet bij mijn tranen.
Dagelijks iets korts werkt beter dan twee keer per week een marathonsessie. Drie keer per week vijf minuten in de auto naar zwemles. Eรฉn rondje tijdens het tandenpoetsen ("zeg de tafel van 4 terwijl je poetst"). Een flitskaartje in de broodtrommel. Het hoeft allemaal niet groot te zijn. Het moet vooral blijven komen, zonder dat het kind het ziet aankomen als een blok aan z'n been. Op onze pagina over tafels oefenen op een leuke manier met kinderen staan meer van dat soort kleine momenten.
Eerst de rust, dan de rekenkunde
Het moment waarop je oefent maakt enorm veel uit. Net uit school is vaak de slechtste tijd. Het kind heeft net zes uur moeten opletten, is moe, heeft honger, en wil gewoon even op de bank. Als je dan meteen met "laten we even de tafels doornemen" aankomt, krijg je eigenlijk de restjes van de dag. Daar gaat het mis.
Een half uur na school, met een glas water en iets te eten erbij, ligt dat al anders. Of na het avondeten, maar dan niet aan tafel waar jullie net gezellig zaten. Zoek een plek die neutraal is. Een stoel op de gang, de bank met het boekje erbij, of samen op de grond met wat flitskaartjes. Niet de plek waar straks zijn broer zijn schoolwerk komt doen. Niet het moment vlak voor bed, want dan blijft het malen in het hoofd.
Als je kind moe terugkomt uit school, mag je ook gewoon een dag overslaan. Echt. Een dag niet oefenen haalt minder weg dan een dag met ruzie oefenen.
Niet vergelijken, ook niet in je hoofd
Je oudste had de tafels in drie weken onder de knie en jouw jongste kauwt er al maanden op. Of het buurmeisje roept de tafel van 9 vrolijk op de fiets naar school op en jouw kind doet alsof het die fiets niet hoort. Het is moeilijk om niet te vergelijken, zeker als het je eigen broers en zussen onderling zijn. Toch helpt het niemand.
Wat het kind oppikt is niet alleen wat je zegt, maar ook wat je zucht. "Je zus kon dit al op deze leeftijd" komt er bijna nooit uit, maar het kind hoort het aan hoe je reageert als het antwoord weer niet meteen klopt. En dan komt het volgende probleem: een kind dat denkt dat het traag is, blokkeert sneller. Tempo wordt trager naarmate je er meer op let.
Probeer hardop de vergelijking te pareren, ook als hij zelf begint. "Hij heeft hier gewoon langer voor nodig en dat is prima" mag je letterlijk zeggen. Dat is geen soft praatje, het is gewoon waar.
Wanneer je aan de bel trekt
De meeste kinderen hebben ergens tussen groep 4 en 6 alle tafels redelijk zitten. Sommige eerder, sommige pas in groep 7. Dat op zich is niet alarmerend. Wel het moment om met de juf of meester te praten: als je kind echt vastloopt, elke oefensessie eindigt in tranen, of als andere rekenonderdelen ook steeds moeilijker gaan. Niet als signaal dat je kind "iets heeft", maar om samen te bekijken wat werkt in de klas en wat thuis.
Soms blijkt dan dat het kind op school andere strategieรซn gebruikt dan thuis, en dat jullie elkaar per ongeluk tegenwerken. Soms heeft de leerkracht tips die jij nog niet had geprobeerd. En soms is er een reden om breder te kijken, bijvoorbeeld naar rekenangst of naar een algemener patroon. Een gesprek van tien minuten bij het hek na schooltijd geeft vaak al richting.
In de tussentijd helpt het om het oefenen wat breder te trekken. Verhaaltjes met getallen, spelletjes, tafels op rijm. Op onze pagina over je kind thuis helpen met de tafels staat een rijtje aanpakken die bij verschillende types kinderen werken. Voor wie liever op papier bezig is, zijn er ook werkbladen en printables om de tafels te oefenen, met oplopende moeilijkheid zodat je klein kunt beginnen.
Een gok is OK, halve antwoorden ook
Eรฉn van de meest bevrijdende dingen die je kunt zeggen is: "Gok maar gewoon". Veel kinderen durven geen antwoord te geven uit angst dat het fout is. Ze blijven hangen, staren naar het plafond, en de tijd dikt aan. Als je dan zegt "zeg gewoon iets, fout mag", verdwijnt een hoop spanning. Vaak komt er dan ineens het goede antwoord uit, omdat de blokkade weg is.
Halve antwoorden zijn ook prima. Als je kind zegt "7 keer 8 is 49, nee wacht, 56", reken dat gewoon als goed. Het heeft nagedacht, zichzelf gecorrigeerd en het juiste antwoord gegeven. Dat is precies wat rekenen is. Eis geen flitstempo. Tempo komt later, als het weten er is, en het weten komt alleen als het veilig voelt om te proberen.
Voor kinderen die sneller opgeven bij saaie oefenvormen werkt een spelletje soms wonderen. Een potje memory met tafelkaartjes, een dobbelspel, of gewoon samen op de bank met spelletjes om de tafels te oefenen. Dan oefent je kind zonder dat het het zo voelt, en dat is precies het punt. Je wilt dat de tafels een vanzelfsprekendheid worden, geen wekelijks gevecht aan de keukentafel.